Fysiek Object

Binnen PDM is het Fysiek Object het kennisobject dat de materiële en tastbare stromen binnen een werknetwerk beschrijft. Waar het Informatieobject de digitale of conceptuele datastroom vertegenwoordigt, vormt het fysieke object de materiële samenhang van de fysieke bedrijfsvoering.

Hieronder volgt een uitgebreide beschrijving van dit object op basis van de PDM-specificaties:

Doel en functie

Het primaire doel van een fysiek object is het vastleggen van tastbare materialen, grondstoffen, halffabrikaten, eindproducten of fysieke documenten (zoals een papieren certificaat of medisch dossier) die door een processtap worden getransformeerd, verbruikt of verplaatst. Binnen de logica van PDM bepalen de overgangen van deze objecten de feitelijke materiële flow van het werk.

Attributen (Eigenschappen)

Voor ieder fysiek object worden specifieke eigenschappen vastgelegd om het object eenduidig te definiëren:

AttribuutVerplichtOmschrijving
idJaUnieke, permanente identifier die nooit wijzigt.
naamJaDe naam van het materiële object (bijv. “Houten pallet” of “Grondstof Component B”).
omschrijvingNeeNadere toelichting op de aard of specificaties van het object.
eenheidNeeDe maateenheid waarin het object wordt uitgedrukt (bijv. stuks, kilo’s, liters).

Relaties in het Metamodel

Het fysieke object vormt de materiële invoer- en uitvoerstroom van de activiteiten binnen het netwerk:

  • Gebruikt door Processtap: het object fungeert als materiële input of grondstof die nodig is om een specifieke stap te kunnen starten of uitvoeren.
  • Geproduceerd door Processtap: het object fungeert als materiële output, of vertegenwoordigt het getransformeerde of verplaatste resultaat van de stap.

Modelleerprincipes en besluitvorming

  • Statusovergangen: een fysiek object stroomt door het netwerk door opeenvolgende statusveranderingen. Stap A gebruikt fysiek object “Grondstof X” en produceert fysiek object “Halffabrikaat Y”. Dit dwingt tot een logische en sluitende keten (zie Regel S2 (Processtap-isolatie): Een processtap mag nooit direct aan een andere processtap gekoppeld worden. De verbinding verloopt altijd via de informatiestroom of materiële stroom (Stap A produceert Object X $\rightarrow$ Object X wordt gebruikt door Stap B).).
  • Passief taalgebruik: in lijn met de semantische regels ( Regel T2 (Passieve informatie): Een Informatieobject of Fysiek Object mag geen werkwoord bevatten. Het beschrijft puur de drager, de dataset of het materiaal (bijv. "Ingevuld urenverantwoording-formulier" of "Houten pallet", niet "Uren invullen" of "Pallet laden").) mag de naam van een fysiek object nooit een actie of werkwoord bevatten. Het beschrijft puur het tastbare object zelf (bijv. “Gerepareerde motor”, niet “Motor repareren”).
  • Drager-onderscheid: als een fysiek document puur dient als drager van informatie (zoals een geprinte pakbon), weeg dan zorgvuldig af of het proces stuurt op de informatie (Informatieobject) of op de fysieke verplaatsing van het papier (Fysiek Object).

Visuele Representatie (Views)

Het fysieke object wordt in de verschillende PDM-views als volgt weergegeven:

  • Vorm: in de Flow View wordt een fysiek object afgebeeld als een Parallellogram (schuine rechthoek) aan de linkerzijde (input) of rechterzijde (output) van de processtap.
  • Context: in de Flow View toont het fysieke object hoe de materiële keten chronologisch verloopt. In de Domein View geeft het een statisch overzicht van alle fysieke dragers en goederen die binnen een werkgebied circuleren.

Afgeleide documentatie: de Materiaalstroom / Logistieke blauwdruk

Het fysieke object vormt de basis voor de materiaalstroomanalyse binnen de organisatie. Door de in- en uitstroom van fysieke objecten te isoleren van de informatiestroom, kan de documentalist een zuivere logistieke blauwdruk genereren. Dit helpt bij het identificeren van fysieke knelpunten, transportbewegingen en de overdrachtsmomenten van materiële verantwoordelijkheid tussen verschillende uitvoerders.