Formele PDM Specificaties

TitelFormele PDM Specificaties
AuteurDe Procesdocumentalist / Martin van Pelt
Datum15 juli 2026
Versiev5.5
StatusDefinitief

De Formele Specificaties van de Procesdocumentatie Methode (PDM) vormen het technische en structurele raamwerk dat de transitie van statische documenten naar een intelligent werknetwerk mogelijk maakt. Waar de kracht van PDM voor de gebruiker schuilt in menselijke eenvoud aan de voorkant, rust deze eenvoud op een uiterst doordachte en strikt gedefinieerde “achterkant”.

In dit onderdeel worden de kaders vastgelegd voor het realiseren van een duurzame Single Source of Truth (SSoT). Deze specificaties beschrijven de exacte regels voor het modelleren van de kern-bouwstenen — werkdomeinen, processen, rollen, systemen en informatie — en de onderlinge relaties die hen verbinden tot een levend kompas voor de organisatie.

Door vast te houden aan deze formele standaarden en het gebruik van open formaten (Markdown), wordt gewaarborgd dat:

  • Wijzigingen in de basis direct consistent verwerkt worden in alle onderliggende werkinstructies en weergaven.
  • De organisatie geniet van volledige data-soevereiniteit en niet afhankelijk is van specifieke softwareleveranciers of tijdelijke licentiemodellen.
  • Er een overdraagbaar en onderhoudbaar kennislandschap ontstaat waar de organisatie zelf de volledige regie over behoudt.

Deze specificaties vormen de basis voor vakmanschap en de kunst van het weglaten, met als doel een fundament te leggen voor een schaalbare en toekomstbestendige organisatie.


Het Werknetwerk

PDM is een formeel model ontworpen voor het vastleggen, beheren en publiceren van proceskennis. In plaats van te vertrouwen op gefragmenteerde tekstbestanden en losse diagrammen, dwingt PDM de constructie van een integraal ‘werknetwerk’ af.

Dit netwerk fungeert als de SSoT: één centrale kennisstructuur waarin elk aspect van de bedrijfsvoering exact één keer wordt vastgelegd. Binnen deze methodiek is documentatie geen vrijblijvend handgeschreven product, maar een model-gedreven Projectie van de vastgelegde kennis.

Wijzigingen worden uitsluitend in de bron van het model (het PDM-Canvas) doorgevoerd, waarna alle documentatie en Projecties consistent worden bijgewerkt via de website.


Bouwstenen

Binnen de PDM-grammatica maken we een strikt onderscheid tussen de organisatorische context en de operationele bouwstenen van het werknetwerk.

De Context: Het Werkdomein

Een Werkdomein vormt de statische, thematische en functionele container van de enterprise-architectuur. Het definieert het ‘speelveld’ en de organisatorische grenzen waarbinnen specifieke expertise, resources, informatie-objecten en processen leven. Een werkdomein kent geen chronologische flow of triggers; het is de structurele basis die eigenaarschap en scope markeert.

Werkdomein (Afbakening / Context)

Definieert de logische en organisatorische afbakening waarbinnen processen, rollen en systemen opereren. Het clustert gerelateerde operationele activiteiten en expertise, en vormt de contextuele landing achter de processen in het netwerk.

Belangrijkste kenmerken:
  • Organisatorische en logische afbakening
  • Cluster van gerelateerde expertise en activiteiten
  • Biedt de architecturale context voor het netwerk
Attributen
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Werkdomeinid , title , type , pdm_bouwsteen , eigenaarWerkdomeinomschrijving , pdm_statusFungeert als de statische, organisatorische container voor processen. Naamgeving is altijd een zelfstandig naamwoord (Regel T4). De eigenaar bevat de abstracte Actor-rol van de proceseigenaar/sponsor.
De operationele bouwstenen

Om wildgroei aan informatie te voorkomen en een minimalistische, analyseerbare structuur te borgen, onderscheidt de grammatica van PDM Bouwstenen, helder afgebakend conform het IGOE-model (Input, Guides, Output, Enablers):

Proces (Keten)

Definieert een gerichte, dynamische keten van activiteiten die een specifieke input transformeert naar een waardevolle output. Een proces heeft een duidelijke trigger en een concreet eindresultaat. Het overstijgt vaak functionele grenzen (cross-functional), kan hiërarchisch worden opgebouwd en bevat geaggregeerde KPI's.

Belangrijkste kenmerken:
  • Dynamische keten
  • Cross-functional
  • Hiërarchisch opbouwbaar (bovenliggend proces -> subproces)
  • Bevat geaggregeerde KPI's
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Procesid , werkdomein , title , type , pdm_bouwsteenProcessdoel , scope , trigger_start , endstatus , eigenaar , pdm_status , versie , bovenliggend_proces , kpisFungeert als organisatorische container voor processtappen via Processtap.proces_id. Moet dwingend gekoppeld zijn aan een Werkdomein-ID.

Processtap (Activiteit / Gateway)

Beschrijft een feitelijke, uitvoerbare, operationele activiteit. Binnen PDM fungeert de processtap tevens als Gateway. Wanneer een stap twee of meer uitgangen heeft, is het een beslissingsmoment. In plaats van een aparte beslissingsactiviteit gevolgd door een losse ruit (diamond shape), integreert PDM de activiteit en het besluit in één enkele shape om onnodige visuele complexiteit te elimineren.

Belangrijkste kenmerken:
  • Feitelijk en uitvoerbaar
  • Geïntegreerde Gateway-functionaliteit bij splitsing
  • Elimineert losse beslissingsruiten (shapes)
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Processtapid , proces_id , title , volgnummer , type , pdm_bouwsteen , actoren , voldoet_aan_waardetoetsProcesstapraci_a , raci_c , raci_i , actie , omschrijving , duur , prioriteit , regels , kpis , input , output , fys_object , tools , bottleneck , maatregel , uitval_impact , pdm_status , fase2_ruwe_logs , waardetoets_analysevolgnummer is verplicht ten behoeve van chronologische Dataview- en Flow View-sortering. Actief taalgebruik (Regel T1). duur in gestandaardiseerd format (bijv. 5m, 2h). prioriteit: PDM-klasse (Laag/Medium/Hoog/Kritiek). De ‘actoren’-lijst bevat de uitvoerders (R). regels bevat ID’s van bindende richtlijnen (Guides vooraf). kpis bevat ID’s van meetwaarden (Metingen achteraf). voldoet_aan_waardetoets dwingt de Output > Input logica af; bij ‘false’ dient de waardetoets_analyse gevuld te worden met het reductie-advies.

Informatieobject (Input / Output)

Beschrijft de specifieke, data-gedreven informatie (digitaal of analoog) die binnen het netwerk wordt gebruikt of geproduceerd. Dit object bepaalt de feitelijke informatieve samenhang.

Belangrijkste kenmerken:
  • Data-gedreven
  • Zowel digitaal als analoog
  • Bepaalt informatieve samenhang
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Informatieobjectid , title , type , pdm_bouwsteenInformatieobjectomschrijving , pdm_status , heeft_drager , synoniemenDe opslaglocatie of technische context wordt via een objectrelatie gedefinieerd. synoniemen ondersteunt normalisatie naar SSoT.

Rol (Enabler)

Beschrijft de operationele entiteiten die de capaciteit leveren om het werk uit te voeren. Binnen PDM omvat dit expliciet zowel menselijke rollen (bijv. NOC Engineer) als geautomatiseerde systemen (bijv. een specifieke workflowmotor).

Belangrijkste kenmerken:
  • Levert capaciteit
  • Menselijk (bijv. NOC Engineer) óf geautomatiseerd (systeem/workflowmotor)
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Actorid , title , type , pdm_bouwsteenActorpdm_status , geobserveerd_bij , omschrijvingtype_actor definieert de operationele entiteit en moet strikt worden gecategoriseerd als: Mens (Rol) of Systeem (Geautomatiseerd).

Fysiek Object (Input / Output)

Beschrijft de materiële en tastbare stromen (zoals grondstoffen, hardware, componenten of fysieke documenten) die binnen het netwerk worden getransformeerd of verplaatst. Dit object bepaalt de logistieke of materiële samenhang.

Belangrijkste kenmerken:
  • Materieel en tastbaar
  • Logistieke en materiële samenhang
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Fysiek Objectid , title , type , pdm_bouwsteenFysiek Objectomschrijving , pdm_statusBepaalt de materiële instroom en uitstroom binnen het modelactiviteiten-netwerk.

Hulpmiddel (Enabler)

Beschrijft de instrumentele enablers (software-applicaties, machines, gereedschappen, snamen, sjablonen) die noodzakelijk zijn om een processtap te faciliteren, zonder dat het middel zelf wordt geconsumeerd of getransformeerd. Wordt gekoppeld om de ketenimpact bij wijzigingen inzichtelijk te maken.

Belangrijkste kenmerken:
  • Instrumenteel en faciliterend
  • Wordt niet geconsumeerd of getransformeerd
  • Cruciaal voor ketenimpact-analyse
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Hulpmiddelid , title , type_tool , type , pdm_bouwsteenHulpmiddelomschrijving , pdm_statustype_tool moet strikt worden gecategoriseerd als: Digitaal (Applicatie/Sjabloon) of Materieel (Machine/Gereedschap). Gekoppeld aan processtappen via het ’tools’-veld om de Impact View te genereren.

Regel (Guide)

Beschrijft de beperkingen, verplichtingen, wetgeving of afspraken waaraan de uitvoering van het werk moet voldoen. Binnen PDM fungeert dit als een Guide (sturing vooraf) met een strikt binair karakter (voldoet/voldoet niet).

Belangrijkste kenmerken:
  • Sturing vooraf
  • Strikt binair karakter (voldoet / voldoet niet)
  • Beperkingen, wetgeving en afspraken
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Regelid , title , type , pdm_bouwsteenRegelomschrijving , type_regel , bron , pdm_statusFungeert als ‘Guide’ conform het IGOE-model. Dient om prescriptieve, sturende kaders vooraf expliciet te maken (bijv. wetgeving, procedures, SLA’s, kwaliteitskaders). Heeft een binair karakter: men voldoet er wel of niet aan.

Kritieke Prestatie Indicator (KPI) (Meting)

Beschrijft de meetbare parameters die achteraf registreren of een proces of processtap op koers ligt om de doelstellingen te behalen. Binnen PDM fungeert dit als een meting achteraf op een glijdende prestatieschaal ten behoeve van continue optimalisatie.

Belangrijkste kenmerken:
  • Meting achteraf
  • Glijdende prestatieschaal
  • Ten behoeve van continue optimalisatie
ObjecttypeVerplichte AttributenTypeOptionele AttributenSpeciale Logica / Voorwaarden
Kritieke Prestatie Indicator (KPI)id , title , norm , type , pdm_bouwsteenKPIomschrijving , type_kpi , pdm_statusFungeert als ‘Meting’ conform het IGOE-model. Dient om descriptieve prestaties achteraf meetbaar te maken. Meet een waarde op een glijdende schaal ten behoeve van procesoptimalisatie en sturing. Kan gekoppeld worden op Procesniveau (aggregatie) of Processtap-niveau (operationeel).


Bouwsteen Attributen & Systeemparameters

Systeem- & Structuurparameters
  • id: Een unieke alfanumerieke identifier (bijv. WD-01, P-01, PS-102, KPI-03). Dit is de primaire sleutel waarmee objecten via relaties naar elkaar kunnen verwijzen.
  • title: De menselijk leesbare naam van het object. Dit veld zorgt ervoor dat Hugo de juiste paginatitel rendert op de statische website.
  • type: Gebruikt voor de interne mapping binnen het thema of de metadata-architectuur.
PDM Dashboard-aansturing & Filters
  • pdm_bouwsteen: Dit veld triggert de Dataview-matrix of Hugo-datafilters. Het accepteert uitsluitend de harde kernwaarden (werkdomein, proces, processtap, informatieobject, fysiek_object, rol, hulpmiddel, regel, kpi).
  • pdm_status: Bepaalt de rijping binnen de PDM-levenscyclus: Gepland, In Behandeling, Gerealiseerd, of Nvt.
  • fase2_ruwe_logs: Een kwantitatieve teller (integer) specifiek bedoeld voor de inventarisatiefase.
  • synoniemen: Een array (lijst) waarin informele termen van de werkvloer worden genoteerd (["Splunk lampje", "Netcool alert"]) ten behoeve van data-normalisatie naar de SSoT.
  • geobserveerd_bij: Legt de koppeling vast tussen de generieke Rol en de daadwerkelijke context (welke medewerker of welk specifiek IT-systeem is aangetroffen tijdens de inventarisatie).
  • norm: De specifieke streefwaarde of onder-/bovengrens van een KPI (bijv. ">= 75%" of "< 10m").

Relationele architectuur en validatie

Relaties vormen de absolute ruggengraat van het netwerk en bepalen de feitelijke flow van het werk. De relationele architectuur is hoofdzakelijk gecentreerd rondom de Processtap als het centrale transformatiepunt. Alle inkomende pijlen vertegenwoordigen inputs, enablers, rollen of kaders; alle uitgaande pijlen vertegenwoordigen de directe resultaten.

Standaardisatie van de pijlrichting in het Werknetwerk

Om tweezijdige query-integriteit te garanderen en dynamische visualisaties mogelijk te maken, verloopt de data-koppeling dwingend via de volgende relationele assen:

Bron-element (Source)RichtingDoel-element (Target)Betekenis van de relatie
werkdomeinprocesWelk werkdomein host en bezit dit proces?
proces (bovenliggend)proces (sub)Welk proces is de hiërarchische eigenaar/container van dit subproces?
procesprocesstapWelk proces triggert deze specifieke stap?
informatieobject (input)processtapWat is er nodig om te starten? (Data/Informatie)
fysiek_object (input)processtapWelke fysieke middelen/dragers worden getransformeerd?
rolprocesstapWelke Rol voert de actie uit? (RACI: Responsible)
rolprocesWelke Rol treedt op als de formele eigenaar van het Proces? (M12)
rolwerkdomeinWelke Rol treedt op als de formele eigenaar van het Werkdomein? (M6)
hulpmiddelprocesstapWelk systeem of hulpmiddel ondersteunt de actie?
informatieobjecthulpmiddelIn welk systeem leeft, of via welk hulpmiddel wordt dit object ontsloten? (M4)
regelprocesstapWelk prescriptief kader (Guide vooraf) normeert deze actie?
kpiprocesstapWelke meting (achteraf) registreert de prestatie van deze specifieke stap?
kpiprocesWelke geaggregeerde meting registreert de prestatie van dit totale proces?
processtapinformatieobject (output)Wat is het informatie-technische resultaat?
processtapfysiek_object (output)Wat is het fysieke resultaat?

De Primaire Perspectieven (Projecties)

  • Processtroom (Flow-view): Toont via dynamische diagrammen hoe informatieobjecten en fysieke objecten chronologisch (gesorteerd op volgnummer) als input en output fungeren tussen processtappen binnen hun respectievelijke werkdomeinen, en welke rollen, hulpmiddelen, regels en KPI’s hierbij betrokken zijn.
  • Rollenmatrix: Isoleert de operatie volledig vanuit het perspectief van één specifieke rol of één geautomatiseerd systeem. Het toont welke stappen worden uitgevoerd (als Responsible), welke hulpmiddelen en objecten benodigd zijn, en welke wetgeving (Regels) en streefwaarden (KPI’s) van toepassing zijn.
  • RACI Matrix: Een dynamisch gegenereerde matrix voor governance en escalatielijnen (gevoed door de arrays rollen (R), raci_a, raci_c en raci_i in de processtappen).
  • Risicomatrix: Het operationele dashboard voor het management. Toont direct de geregistreerde bottlenecks en de mitigerende maatregelen, consistent gerangschikt op prioriteit (Kritiek → Hoog → Medium → Laag).
  • Ketenimpact: De infrastructurele kwetsbaarheidsanalyse. Brengt direct in kaart wat het exacte effect op de processtappen is wanneer een specifiek hulpmiddel (of onderliggend applicatielandschap) uitvalt op basis van het attribuut uitval_impact.
  • Systeem Ketenimpact: De applicatie-centrische weergave. Analyseert de onderlinge afhankelijkheden en risico’s vanuit de IT-architectuur. Brengt in kaart hoe bronsystemen, interfaces en datastromen via de processtappen invloed hebben op de continuïteit van de gehele keten.
  • Kaderoverzicht (KPI- & Compliance-projectie): Het tactische sturingsdashboard voor de Proceseigenaar. Aggregeert alle KPI’s en dwingende complianceregels overzichtelijk per Werkdomein, Proces en onderliggende Processtappen, inclusief de bijbehorende norm en bronverwijzingen.

Kleurenschema voor de elementen in het Werknetwerk

ElementKleurHex-codeLogica / Psychologie
WerkdomeinDonkergrijs#2F4F4FGeeft een solide, dragende structuur aan. De robuuste omkadering van de organisatie.
ProcesPaars#8A2BE2Straalt helikopterview uit. De overkoepelende, dynamische keten.
ProcesstapBlauw#6C8CE3Staat voor actie, logica en betrouwbaarheid. De actieve motor van de flow.
RolOranje#FF8C00Valt op en staat voor menselijke/systeemactiviteit en capaciteit. De ‘wie’ in het netwerk.
InformatieobjectGeel#FFD700Trekt de aandacht en doet denken aan data en kennis. Perfect voor datastromen of documenten.
HulpmiddelGroen#7DC903Staat voor faciliteren, systemen en ‘go’ (software of gereedschap die de stap mogelijk maken).
Fysiek ObjectGrijs#808080Neutraal en tastbaar. Uitstekend voor materiële zaken, locaties of hardware.
RegelRood#FF0000De universele kleur voor kaders, wetgeving en compliance. Dwingt direct ‘stop/denk na’ af (Guide vooraf).
KPIPDM Groen#7DC903Staat voor meten, presteren, sturing en optimalisatie (Meting achteraf).

De PDM-werkwijze en de 5 validaties

De transitie van de dagelijkse praktijk naar een betrouwbaar model verloopt via vijf gestructureerde fasen. De eerste drie fasen richten zich volledig op de laagdrempelige opbouw en rijping van data binnen het centrale PDM-Canvas. Er worden in deze fasen geen afzonderlijke deliverables buiten het Canvas geproduceerd; alle validaties bij de gates vinden rechtstreeks plaats op de status en metadata van de SSoT Hub.

Na iedere fase volgt een formele validatiestap om de integriteit en kwaliteit te borgen.

graph TB
    subgraph PDM [PDM Processturing && Workflow]
        direction TB

        %% Centraal Fundament: De SSoT Hub
        C1["Het PDM-Canvas <br> (SSoT)"]

        %% Niveau 1: Initiatie
        subgraph S1 [Fase 1: Initiatie && Scopebepaling]
            O1["Initialisatie PDM-Canvas"]
        end
        G1[Validatie 1: Scope-akkoord]
        S1 --> G1

        %% Niveau 2: Inventarisatie
        G1 --> S2
        subgraph S2 [Fase 2: Inventarisatie]
            O2["Kwantitatieve data-acquisitie & <br> observatie via Canvas-kaarten"]
        end
        G2[Validatie 2: Inventarisatie-check]
        S2 --> G2

        %% Niveau 3: Analyse && Modellering
        G2 --> S3
        subgraph S3 [Fase 3: Analyse && Structurering]
            O3["Promotie van Canvas-kaarten <br> naar Werknetwerk"]
        end
        G3[Validatie 3: Model-freeze]
        S3 --> G3

        %% Niveau 4: Documentatie
        G3 --> S4
        subgraph S4 [Fase 4: Documentatie && Generatie]
            O4["Generatie Projecties en <br> programmatische publicatie"]
        end
        G4[Validatie 4: Oplever-validatie]
        S4 --> G4

        %% Niveau 5: Beheer && Borging
        G4 --> S5
        subgraph S5 [Fase 5: Continue Borging]
            O5["Overdracht naar Lijnorganisatie"]
        end
        G5[Validatie 5: Beheer-overdracht]
        S5 --> G5

    end
    
    %% Datastromen van en naar de SSoT Hub
    O1 --> |"1. Scopegrenzen & Triggers"| C1
    O2 --> |"2. Platte Lijst Bouwstenen"| C1
    O3 --> |"3. Gecentreerde Netwerklogica & Metingen"| C1
    C1 --> |"4. Foutloze Bron-input (Projecties)"| O4
Fase 1 – Initiatie & Scopebepaling

Vaststellen van het te onderzoeken werkdomein, de hoofdprocessen en eventuele proceshiërarchieën. Start direct met de Initialisatie van het PDM-Canvas.

  • Validatie 1: Scope-akkoord: Formele acceptatie van de scopegrenzen, triggers en hoofdprocessen 1-op-1 vastgelegd binnen het Canvas. Toetsing op beschikbaarheid van de gecontracteerde SME’s.
Fase 2 – Inventarisatie

Verzamelen van feitelijke operationele kennis (IST-situatie) via interviews en observaties op de werkvloer. Inzichten landen direct als flexibele kaarten binnen de vaste PDM-blokken op het Canvas.

  • Validatie 2: Inventarisatie-check: Inhoudelijke praktijkcheck met operationele experts ter verwerking van de op het Canvas aanwezige rauwe bouwstenen. Exotische randgevallen worden direct gesaneerd (de kunst van het weglaten).
Fase 3 – Analyse & Structurering

Vertalen van de flexibele praktijkkennis naar de formele netwerklogica. Kaarten op het Canvas worden officieel gepromoveerd tot gestructureerde Kernnotities. Kaders (Regels) en streefwaarden (KPI’s) worden sluitend gedefinieerd en gekoppeld langs de gecentreerde processtap-assen.

  • Validatie 3: Model-freeze: Een goedgekeurd, wiskundig sluitend conceptueel werknetwerk binnen het Canvas, getoetst aan de Modelleerregels (geen ‘zwevende’ objecten of logische weeffouten). Volledig geabstraheerd naar abstracte Rollen, Systemen en eenduidige meetbare KPI’s.
Fase 4 – Documentatie & Generatie

De programmatische uitrol van de bevroren brondata. Omdat alle relaties en verplichte attributen diep in de Markdown-kernnotities verankerd zijn, fungeert het PDM-Canvas als betrouwbare bron-input voor de geautomatiseerde Projecties in Hugo.

  • Validatie 4: Oplevervalidatie: Technische consistentiecheck (geen gebroken links) gekoppeld aan de doelgroeptoets in de praktijk. Getekend voor de Gouden Beheerafspraak.
Fase 5 – Continue Borging

Finale verankering waarbij het gegenereerde pakket actief overgaat naar de operationele lijnorganisatie.

  • Validatie 5: Beheer-overdracht: Formele decharge door de proceseigenaar. Het wijzigingsbeheer is belegd in de lijn en de periodieke herbeoordelingscyclus (zowel op naleving van de Regels als realisatie van de KPI’s) is geactiveerd.

Harde PDM-regels (kwaliteitsborging)

Om de logische sluitendheid van het werknetwerk te garanderen, moet elk model vóór publicatie (tijdens Validatie 4) voldoen aan de onderstaande geconsolideerde PDM-regels. Deze definities worden dynamisch opgehaald uit de centrale configuratie.

1. Basisregels (De fundamenten)

Dit zijn de overkoepelende uitgangspunten voor het gedrag, de inrichting en de filosofie van het model.

Regel B0 (Occam's Razor)

De kunst van het weglaten is dwingend: modelleer uitsluitend de absolute kern die noodzakelijk is om de operatie te begrijpen, te besturen en te borgen. Elk object, elke stap en elke uitzondering die geen aantoonbare impact heeft op de keten of compliance, wordt rigoureus weggelaten om administratieve wildgroei te voorkomen. Eenvoud overstijgt volledigheid.

Regel B1 (Rollen boven personen)

Er worden uitsluitend abstracte, generieke operationele entiteiten (Rollen) vastgelegd, nooit de namen van specifieke medewerkers. Dit houdt het model onafhankelijk van personele wisselingen.

Regel B2 (Permanente unieke identificatie - UID)

Elk object binnen de vaste Bouwstenen krijgt een permanent en onveranderlijk uniek ID-nummer (bijv. WD-01, PS-102). Alleen de ID is leidend; namen kunnen veranderen. Dit garandeert historische en logische traceerbaarheid ten behoeve van de ketenimpact-analyses.

Regel B3 (De Single Source of Truth - SSoT)

Elk stukje informatie bestaat binnen het model op exact één centrale plek. Wijzigingen vinden uitsluitend plaats bij de bron; de doorwerking naar alle afgeleide weergaven is consistent en sluitend.

Regel B4 (Geen handmatige documentcorrecties)

Zodra een weergave handmatig wordt aangepast buiten de centrale structuur om (bijv. in een losse PDF), verliest deze direct haar formele status. Correcties vinden altijd plaats in de bronbestanden van het model.

Regel B5 (Relaties boven hiërarchie)

De volgorde van werkzaamheden ontstaat uitsluitend uit logische afhankelijkheden tussen objecten (zoals informatie-afhankelijkheid), nooit door een arbitraire nummering of visuele positionering in een tekening.

Regel B6 (De PDM Continuïteitsregel - Periodieke Schouw)

De proceseigenaar en de operationeel experts (sleutel-experts van de werkvloer) voeren periodiek een fysieke of operationele schouw uit op de processen. Tijdens deze schouw wordt getoetst of het digitale werknetwerk nog 100% synchroon loopt met de feitelijke praktijk. Geconstateerde afwijkingen tussen theorie en praktijk dwingen direct een nieuwe RFC-cyclus af om de Single Source of Truth actueel te houden.

2. Modelleerregels (De grammatica)

De harde regels voor het opbouwen en valideren van het werknetwerk (toegepast tijdens de validatie na de ontwerpfase).

Regel M1 (Geen zwevende objecten)

Elk object in het model is via minimaal één actieve relatie verbonden met het netwerk. Losgekoppelde objecten zijn niet toegestaan.

Regel M2 (Processtap-isolatie)

Een processtap mag nooit direct aan een andere processtap gekoppeld worden. De verbinding verloopt altijd via een informatiestroom of materiële stroom (Stap A produceert Object X → Object X wordt gebruikt door Stap B).

Regel M3 (Kardinaliteitscontrole)

Elke processtap bezit exact één inkomende relatie vanaf een Rol, welke fungeert als de verantwoordelijke actor (Responsible in de RACI-projectie). Een processtap zonder rol is een syntaxfout.

Regel M4 (Hulpmiddel-isolatie)

Een Hulpmiddel koppelen we nooit rechtstreeks aan een informatieobject of fysiek object, maar altijd aan een specifieke processtap (Hulpmiddel --> processtap) ten behoeve van de ketenimpact en system ketenimpact.

Regel M5 (Gateway-integratie)

Vertakkingen worden niet gemodelleerd met externe ruiten, maar verlopen via een processtap met twee of meer uitgaande relaties naar verschillende informatie- of fysieke objecten.

Regel M6 (Proces-omkadering)

Elk proces is gekoppeld aan exact één overkoepelend Werkdomein.

Regel M7 (Proces-hiërarchie)

Een subproces mag naar maximaal één bovenliggend proces verwijzen. Circulaire hiërarchische verwijzingen zijn uitgesloten.

Regel M8 (KPI-koppeling)

Een KPI is uitsluitend gekoppeld aan een proces (aggregatieniveau) of een processtap (operationeel niveau). Directe koppelingen met hulpmiddelen of rollen zijn uitgesloten.

Regel M9 (Actieve schrijfwijze)

De naam van een processtap volgt de structuur: [Actief Werkwoord in infinitief] + [Zelfstandig Naamwoord] (bijv. “Controleren Factuur”). Bij een stap met een gateway-functie weerspiegelt de naam de beslissingsactiviteit (bijv. “Beoordelen Storingsprioriteit”).

Regel M10 (Passieve informatie)

Een informatieobject of fysiek object beschrijft puur de status of het materiaal (bijv. “Geverifieerd P1-ticket” of “Houten pallet”) en bevat geen actiewerkwoord.

Regel M11 (Strikte de-duplicatie)

Synoniemen zijn niet toegestaan; we hanteren binnen de SSoT één genormaliseerde term. In Fase 3 dwingt de documentalist één genormaliseerde, eenduidige term af.

Regel M12 (Eigenaarschap)

Een proces of werkdomein heeft altijd een geldige, bestaande Rol als eigenaar om overgedragen te kunnen worden naar de productiestatus (Fase 5).

Regel M13 (Geen persoonsnamen)

Persoonsnamen in metadata of objectnamen zijn verboden. Dit leidt tot directe afkeuring (dus geen “Excel van Jan”, maar “Sjabloon Productieplanning”).

Regel M14 (Kaderbepaling)

Een regel legt uitsluitend via een inkomende verbinding (regel --> processtap) prescriptieve, dwingende randvoorwaarden op aan een processtap, zonder de processtroom fysiek te onderbreken of te splitsen.

Regel M15 (Naamgeving Werkdomein)

De naam van een Werkdomein is altijd een zelfstandig naamwoord of een thematische naamwoordgroep (bijv. “Incident Management” of “Financiën”), nooit een actiewerkwoord.

Regel M16 (KPI-Formulering)

De naam van een KPI weerspiegelt altijd een meetbare status of indicator (bijv. “Eerste Lijn Oplospercentage” of “Doorlooptijd Triage”), nooit een instructie of kader.

Regel M17 (De PDM-Waardetoets)

Elke processtap moet aantoonbaar waarde toevoegen voor de (interne of externe) afnemer op basis van de 3 V’s: Verandering (fysieke of transformationele wijziging van de input), Volgende schakel (directe, noodzakelijke voorbereiding voor de opvolgende stap), of Veiligheid (wettelijke compliance of risico-beheersing). Een stap die hier niet aan voldoet, krijgt in de metadata de status voldoet_aan_waardetoets: false en wordt dwingend voorzien van een reductie-advies op basis van de TIMWOODS-verpillingen ter sanering.

3. Projectieregels (de weergaven)

Regels die bepalen hoe specifieke, afgeleide overzichten (Projecties) worden gegenereerd en geïnterpreteerd.

Regel P1 (Geen polder-RACI)

Rollen en verantwoordelijkheden volgen direct uit de netwerkstructuur en worden niet achteraf onderhandeld. Degene die de actie uitvoert is Responsible (R), de formele proces- of domeineigenaar is Accountable (A).

Regel P2 (Sluitende RACI)

Per processtap is er exact één eindverantwoordelijke (Accountable) en minimaal één uitvoerder (Responsible). Overbodige Consulted (C) en Informed (I) rollen worden weggelaten tenzij er een harde conditionerende regel aan ten grondslag ligt.

Regel P3 (Geen losse registers)

Risico’s en beheersmaatregelen (controls) bestaan nooit onafhankelijk van de operatie; ze zijn altijd direct gekoppeld aan een specifiek uniek object in het netwerk.

Regel P4 (Minimalistische controls)

Beheersmaatregelen worden direct verweven als een verplichte conditie of input-eis in de processtap zelf om administratieve wildgroei te voorkomen.

Regel P5 (Informatie-afhankelijkheid)

Chronologie in de processtroom is altijd een gevolg van databeschikbaarheid. Stap B start pas als de benodigde input van stap A beschikbaar is.

Regel P6 (Geen live-metingen)

Het kaderoverzicht (KPI’s en regels) registreert uitsluitend vooraf vastgestelde definities, normen en kaders. Er worden binnen PDM geen live-metingen verricht om rust en voorspelbaarheid te borgen.

Copyrights, licentievoorwaarden en AI-clausules

Op de PDM-methodiek, het metamodel, de Projectie-grammatica en alle inhoud van deze specificaties zijn intellectuele eigendomsrechten, specifieke licentievoorwaarden en een strikt AI-trainingsverbod van toepassing.

Zie de centrale Copyright- en licentievoorwaarden voor de volledige juridische bepalingen en gebruiksrechten.